Een gesprek met Alexander de Grote – Leiderschap van Macedonië tot aan de Indus
“Had ik maar een boek als Leidinggeven bij de overheid  gehad.”

Het is een warme dag in Babylon, kort na de terugkeer van Alexander uit zijn campagne in India. Hij zit in een schaduwrijke tuin, omringd door kaarten, schrijvers en adviseurs. Zijn helm ligt achteloos naast een schaal dadels. Het gesprek begint.

Gespreksschrijver: Majesteit, u werd al op jonge leeftijd koning. Kunt u zich nog herinneren hoe het was om voor het eerst leiding te geven?

Alexander:
Zeker. Ik was twintig toen mijn vader, koning Philippus II, werd vermoord. Plots stond ik aan het hoofd van een koninkrijk dat omringd was door vijanden. Ik had wel training gehad — Aristoteles als leraar, militaire ervaring aan mijn vaders zijde — maar zelf de beslissingen nemen… dat is iets anders.

Mensen en middelen zijn daarbij heel belangrijk, maar ik begon altijd met de inhoud: wat is ons doel? Voor mij was dat niet alleen verdedigen, maar ook uitbreiden. Mijn vader had de basis gelegd; ik wilde de wereld zien en veroveren.

Gespreksschrijver: Dat is nogal ambitieus voor iemand van twintig.

Alexander de Grote: (glimlacht) Ja, maar ik wist dat half werk gevaarlijker was dan groot denken. Kleine ambities trekken grote vijanden aan.

Gespreksschrijver: Hoe bepaalde u waar u heen ging en wat u veroverde?

Alexander de Grote:
Ik keek naar drie zaken:

  1. Politiek – Welke staten vormden een bedreiging?
  2. Economie – Waar lagen de rijke gebieden die onze macht konden versterken?
  3. Symboliek – Overwinningen die mijn soldaten trots zouden maken en mijn vijanden zouden afschrikken.

De eerste campagne was tegen de Thraciërs en Thebe. Daarmee liet ik zien dat ik geen zwakke jonge koning was. Daarna richtte ik mijn blik op Perzië — een rijk dat al generaties als onoverwinnelijk gold.

Gespreksschrijver: U stond bekend om de loyaliteit van uw soldaten. Hoe hield u hen gemotiveerd?

Alexander de Grote:
Ik leefde als hen. Ik at hetzelfde eten, sliep in dezelfde tent, liep dezelfde tochten. Een leider die zichzelf spaart, verliest zijn mensen.

Daarnaast gaf ik ruimte voor talent. Veldheren als Parmenion en Hephaistion kregen vertrouwen en verantwoordelijkheid. We bespraken strategieën samen, maar als het moment daar was, kreeg iedereen zijn taak — en dan moest ik loslaten.

Gespreksschrijver: Was dat makkelijk?

Alexander de Grote: Nee, zeker in het begin niet. Als jonge koning wil je alles controleren. Maar ik leerde dat vertrouwen in je mensen krachtiger is dan zelf elk detail sturen.

Gespreksschrijver: Uw campagnes gingen door woestijnen, bergen, rivieren. Hoe zorgde u dat u altijd de juiste middelen had?

Alexander de Grote:
Oorlogen worden gewonnen door logistiek, niet alleen door moed.

  • Voorraadlijnen: Ik had speciale eenheden die niets anders deden dan graan, water en wapens veiligstellen.
  • Lokale samenwerking: In plaats van elke stad te plunderen, sloot ik vaak bondgenootschappen. Dan kreeg ik voedsel en onderdak zonder strijd.
  • Innovatie: In belegeringen gebruikten we nieuwe machines — stormrammen, katapulten — die we ter plekke aanpasten aan het terrein.

Gespreksschrijver: Wat was voor u het moeilijkste in die eerste jaren?

Alexander de Grote:
Twee dingen:

  1. Beslissen onder druk – Je hebt vaak geen volledige informatie, maar moet toch kiezen.
  2. Je houding aanpassen – In het begin was ik te fel, te ongeduldig. Ik dacht dat snelheid altijd beter was dan voorzichtigheid. Later leerde ik dat soms wachten de betere aanval is.

(Alexander pakt een beker water, kijkt even weg naar de horizon waar de Eufraat glinstert.)

Alexander de Grote:
Er waren nachten dat ik wakker lag, twijfelend of ik wel de juiste man was voor zo’n taak. Toen herinnerde ik mezelf eraan dat leiderschap geen zekerheid vraagt, maar moed om te handelen ondanks twijfel.

Gespreksschrijver: Als u terugkijkt, zou u iets anders doen?

Alexander de Grote:
Ik zou beter leren delegeren vanaf dag één. En misschien iets minder haast hebben gehad — mijn tempo heeft mensen uitgeput, en sommige bondgenoten verloren we daardoor.

En eerlijk? Ik had graag een boek als Leidinggeven bij de overheid van Fred Lafeber en Karel van Oosterom gehad. Dan was misschien ook mijn terugtocht uit India wat beter verlopen. In mijn tijd waren er geen handleidingen voor leiderschap. Aristoteles gaf mij wijsheid, maar zijn lessen waren filosofisch. Ik had praktische richtlijnen kunnen gebruiken over hoe je doelen, mensen en middelen in balans houdt.

Alexander de Grote: (lachend) De oude Griekse sagen gaven mooie verhalen, maar geen tips voor hoe je een leger van 40.000 man door een woestijn leidt zonder dat ze je haten.

(In de tuin klinkt het zachte ruisen van een fontein. Alexander staat op, rolt de kaarten op en geeft ze aan een schrijver.)

Alexander de Grote:
“Veroveren is één ding. Leidinggeven, dat is het werk dat elke dag opnieuw begint. En daarin — zelfs voor Alexander de Grote — is er altijd iets te leren.”