Een gesprek met Michiel de Ruyter – Leiderschap op de golven van de 17e eeuw
“had ik toen het boek Leidinggeven bij de overheid  gehad, was ik misschien een betere leermeester geweest.”

In het jaar des Heeren 1674, kort na zijn terugkeer van een roemrijke tocht, ontving admiraal Michiel Adriaenszoon de Ruyter een schrijver in de admiraliteitskamer te Vlissingen. Het vuur knetterde, maar door het raam klonk nog steeds het gekraak van touwen en het geklop van scheepsbouwers in de haven. Wat volgt zijn zijn woorden, opgetekend in de geur van pek, kruit en zout.

Gespreksschrijver: Admiraal, u hebt talloze tochten geleid, van handelsescortes tot zeeslagen. In leiderschap spreken we vaak over inhoud, mensen en middelen. Om met het eerste te beginnen: hoe begon u met het organiseren van uw reizen?

Michiel de Ruyter (MdR):
Alles begint met een duidelijk doel. Bij de marine en voor de Compagnie ging het niet alleen om aankomen, maar om het veiligstellen van handelsroutes, het beschermen van onze schepen en het verdedigen van onze vlag.

Ik stelde altijd vast: Wat is het einddoel? Is het winst, diplomatie, bescherming of aanval?

Daarna kwam de planning: routes kiezen met de wind in ons voordeel, rekening houden met het stormseizoen, en weten waar de vijand zich ophoudt.

(Er klinkt buiten geroep. Een bootsman staat op de kade.)

Bootsman: Heer admiraal, de bakboordmast van de Zeelandia is hersteld!
Michiel de Ruyter: Goed, maar laat de tuigage dubbel controleren. Een mast die in de haven breekt is een zonde; een mast die op zee breekt is een ramp.

Gespreksschrijver: Hoe wist u op zee wat u wilde doen?

Michiel de Ruyter:
Ik woog altijd af wat het meeste nut had voor de Republiek. Soms betekende dat wachten en versterken, soms het nemen van een risico.

Ik gebruikte informanten — van kooplieden in Lissabon tot vissers in de monding van de Theems.

Kapitein Van Nes (aan tafel): En vergeet die spion in Plymouth niet, heer. Zonder zijn bericht hadden we die Engelse vloot nooit in het donker kunnen verrassen.
Michiel de Ruyter: (knikt) Precies. Weten waar en wanneer toe te slaan, dat is de helft van de overwinning.

Gespreksschrijver: Voor het tweede element: de mensen; uw schepen zaten vol met zeelieden, soldaten en officieren. Hoe hield u hen gemotiveerd?

Michiel de Ruyter:
Een schip is als een stad op het water. Iedereen moet weten dat hij nodig is.

  1. Rechtvaardigheid: Beloon naar inzet, straf naar fout.
  2. Vertrouwen: Ik spreek mijn mannen toe vóór een slag, recht in de ogen.
  3. Zorg: Een zieke matroos kan herstellen en weer dienstdoen; je laat hem niet achter.

Luitenant Brackel: Weet u nog die keer bij Duinkerken? Toen u persoonlijk het dek opging om een ziek kind van een matroos water te brengen?
Michiel de Ruyter: (schouderophalend) Een admiraal die alleen bevelen roept en nooit een hand uitsteekt, zal op een dag ontdekken dat zijn mannen hem niet meer volgen.

Gespreksschrijver: Hoe zorgde u voor voldoende middelen: de uitrusting en bevoorrading?

Michiel de Ruyter:
De zee vergeeft geen fouten in de voorbereiding.

  • Schepen: Zelf inspecteren. Elke mast, elk zeil, elke kiel.
  • Wapens: Kanonnen schoon, kruit droog. Reserveonderdelen aan boord.
  • Voorraden: Beschuit, gezouten vis, bier en water. Als het kon limoen tegen scheurbuik.
  • Financiën: De kosten van bemanning en onderhoud moeten lager blijven dan de winst van de reis.

Gespreksschrijver: En wat deed u als het water op was?
Michiel de Ruyter: Dan vond ik water. Desnoods staken we aan in een vijandige baai. Zonder water is er geen vloot.

Journalist: Hoe heeft u uw leiderschapsstijl aangepast in de loop der jaren?

Michiel de Ruyter:
In mijn jeugd dacht ik dat gezag alleen kwam door streng te zijn. Maar ik leerde dat vertrouwen schenken en luisteren sterker is.

Ik gaf officieren meer vrijheid, zodat ze zelf konden handelen bij plotselinge veranderingen op zee.

Luitenant Brackel: Dat heeft ons gered bij Kijkduin, toen de wind draaide. Zonder die vrijheid hadden we verloren.
Michiel de Ruyter: (grijnst) Soms moet je de teugels loslaten om koers te houden.

Reflectie en spijt

Gespreksschrijver: Is er iets waar u spijt van hebt?

Michiel de Ruyter:
Ja. Soms nam ik te veel risico om een vijand te slim af te zijn. De zee is geen schaakbord; een storm kan al je stukken van het bord vegen.

En ik had meer jonge kapiteins moeten opleiden. Een vloot leeft langer dan een admiraal — als er opvolgers zijn.

De Ruyter neemt een slok uit zijn tinnen beker en kijkt naar de haven, waar de masten zacht kraken in de wind.

Michiel de Ruyter:
In mijn tijd leerden we alles op zee, vaak door fouten. Maar had ik toen Leidinggeven bij de overheid van Fred Lafeber en Karel van Oosterom gehad… misschien had ik niet alleen een betere admiraal, maar ook een betere leermeester kunnen zijn.

Kapitein Van Nes: Maar heer, denkt u dat een boek u meer had geleerd dan de oceaan?
Michiel de Ruyter: De oceaan leert je veel, Van Nes. Maar een boek kan je leren zonder dat je daarvoor eerst een mast hoeft te verliezen.

(Buiten klinkt het slaan van de scheepsbel. De admiraal staat op. De mannen volgen. De geur van pek en kruit blijft hangen.)